Sla de springlinks over en ga naar de sitenavigatie Lees voor

U bent hier: Regelingen » Gebruiksverordening woonwagenstandplaatsen 1994 » 01-05-1994

Sla de hoofdinhoud over en ga naar de voetregel »

Gebruiksverordening woonwagenstandplaatsen 1994

Deze regeling is in werking getreden op 01-05-1994.

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling

Overheidsorganisatie gemeente Stadskanaal
Officiële naam van de regeling Verordening op het gebruik van standplaatsen voor woonwagens
Citeertitel Gebruiksverordening woonwagenstandplaatsen 1994
Deze versie is geldig tot
(als de vervaldatum is vastgesteld)
Vastgesteld door gemeenteraad
Onderwerp volkshuisvesting en woningbouw

Opmerkingen m.b.t. de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

1. Gemeentewet, art. 149 externe site

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum
inwerkingtreding
Terugwerkende
kracht t/m
Betreft Datum ondertekening
Bron bekendmaking
Kenmerk
voorstel
01-05-1994 nieuwe regeling 25-04-1994
-
R 4490

Gelezen het voorstel van Burgemeester en Wethouders d.d. 15 april 1994, nr. R 4490;

gelet op artikel 150 van de gemeentewet;

besluit:

vast te stellen de volgende:

Verordening op het gebruik van standplaatsen voor woonwagens.

Artikel 1 Begripsomschrijving.

In deze verordening wordt verstaan onder:

a. standplaats:
een standplaats op een centrum als bedoeld in artikel 2 van de Woonwagenwet (Stb. 1968, 98), dan wel een standplaats als bedoeld in de artikelen 10, 10e of 11 van de Woonwagenwet, of een standplaats als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Woningwet (Stb. 1991, 439) ;
b. woonwagen:
een woonwagen als bedoeld in artikel 1 van de Woonwagenwet;
c. standplaatshouder:
degene die een standplaats heeft en hiertoe beschikt over een vergunning van Burgemeester en Wethouders (zoals bedoeld in artikel 10, eerste lid of artikel 10e eerste lid Woonwagenwet) , of van Gedeputeerde Staten (op grond van artikel 10a, vierde lid, of artikel 11 eerste lid van de Woonwagenwet), of bij gebreke van die vergunning de hoofdbewoner van de woonwagen. Wie als hoofdbewoner wordt aangemerkt wordt door Burgemeester en Wethouders beoordeeld.

Artikel 2.

Het bepaalde in deze verordening is niet van toepassing op standplaatshouders die ingevolge een privaatrechtelijke overeenkomst met de gemeente een standplaats innemen.

Artikel 3.

  • 1. Per standplaats mag uitsluitend één woonwagen ter bewoning door de standplaatshouder worden geplaatst.
  • 2. De woonwagen dient te staan op de daarvoor door Burgemeester en Wethouders aangegeven situering op de standplaats.

Artikel 4.

  • 1. De standplaatshouder is verplicht er voor te zorgen dat de standplaats steeds behoorlijk wordt onderhouden. Bij het onderhoud dienen de regelen en aanwijzingen die terzake door Burgemeester en Wethouders worden gegeven, te worden opgevolgd.
  • 2. De standplaatshouder zal gebreken aan de standplaats zo spoedig mogelijk melden aan Burgemeester en Wethouders.
  • 3. Het is de standplaatshouder verboden om:
    • a. de standplaats geheel of gedeeltelijk aan derden in huur of gebruik af te staan;
    • b. in en om de standplaats enigerlei nering of bedrijf uit te oefenen of te laten uitoefenen en/of goederen en/of afvalstoffen en dergelijke te hebben of op te slaan, welke betrekking hebben op de uitoefening van enigerlei nering of bedrijf;
    • c. in of op de standplaats voorwerpen of stoffen aanwezig te hebben, die door gasvorming, brand- of explosiegevaar, gewicht, lawaai, hinderlijke geur of op enigerlei andere wijze hinder of gevaar veroorzaken of kunnen veroorzaken.
  • 4. Het is de standplaatshouder verboden om zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Burgemeester en Wethouders:
    • a. de woonwagen op de standplaatsen te verplaatsen of te laten verplaatsen;
    • b. in of op de standplaats aan of bij te bouwen, af te breken of enige andere verandering aan te brengen dan wel zulks te laten gebeuren;
    • c. de bij de standplaats behorende erfafscheiding te verwijderen, te verplaatsen, of anderszins te laten veranderen dan wel zulks te laten gebeuren.
  • 5. Burgemeester en Wethouders weigeren de in het vierde lid bedoelde toestemming indien de voorgenomen verandering in strijd is met een wettelijk voorschrift en kunnen aan de toestemming voorwaarden verbinden.
  • 6. De ingevolge dit artikel gevorderde toestemming is niet vereist in gevallen waarin wordt gehandeld door, vanwege of in opdracht van Burgemeester en Wethouders.

Artikel 5.

  • 1. De standplaatshouder is verplicht de personen, die door Burgemeester en Wethouders zijn belast met het afleggen van controlebezoeken of het uitvoeren van werkzaamheden op de standplaats toe te laten.
  • 2. De standplaatshouder is verplicht alle door Burgemeester en Wethouders noodzakelijk geachte werkzaamheden in of op de standplaats toe te staan.

Artikel 6.

  • 1. De standplaatshouder die voornemens is om de standplaats te verlaten is verplicht dit schriftelijk aan Burgemeester en Wethouders te melden. De melding dient tenminste vier weken vóór de vertrekdatum plaats te vinden.
  • 2. De standplaatshouder is verplicht om bij diens vertrek de standplaats zonder gebreken en behoorlijk schoongemaakt achter te laten en alle door Burgemeester en Wethouders verstrekte sleutels vóór het verlaten van de standplaas uitsluitend aan Burgemeester en Wethouders ter beschikking te stellen.
  • 3. De standplaatshouder is tevens verplicht om bij diens vertrek ervoor te zorgen dat, onverminderd het bepaalde in artikel 4, vierde lid, de standplaats in oorspronkelijke staat wordt achtergelaten. Burgemeester en Wethouders kunnen standplaatshouder schriftelijk mededelen dat hiervan wordt afgeweken.

Artikel 7.

Overtreding van het bepaalde in artikel 4 en artikel 6, derde lid wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie.

Artikel 8.

De opsporing van de in artikel 7 strafbaar gestelde feiten is, naast de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering genoemde opsporingsambtenaren, opgedragen aan hen die door Burgemeester en Wethouders met de zorg voor de naleving van deze verordening zijn belast, ieder voor zover het de feiten betreft die in de aanwijzing zijn vermeld.

Artikel 9.

  • 1. Wanneer de zorg voor de naleving van het bij of krachtens verordening bepaalde dit vereist, wordt hierbij de last verstrekt al dan niet besloten ruimten en plaatsen - woonwagens daaronder mede verstaan - desnoods tegen de wil van de rechthebbende, bewoner of gebruiker te betreden:
    • a. aan hen, die en voor zover zij door het bevoegd gezag zijn belast met de uitvoering van bestuursdwang ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening;
    • b. aan hen, die en voor zover zij door het bevoegd gezag zijn belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening;
    • c. aan de opsporingsambtenaren, die en voor zover zij zijn belast met de opsporing van overtredingen van het bepaalde bij of krachtens deze verordening.

Artikel 10.

Deze verordening kan worden aangehaald als "Gebruiksverordening woonwagenstandplaatsen 1994".

Artikel 11.

Deze verordening treedt inwerking met ingang van 1 mei 1994.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 25 april 1994.

De Raad voornoemd,

De secretaris, De Voorzitter

Sla de sitenavigatie over en ga naar de hoofdinhoud »
Terug naar boven Terug naar boven