Sla de springlinks over en ga naar de sitenavigatie Lees voor

U bent hier: Regelingen » Gemeentelijk Besluit krediethypotheek bijstand » 14-11-2013

Sla de hoofdinhoud over en ga naar de voetregel »

Gemeentelijk Besluit krediethypotheek bijstand

Geconsolideerde versie, geldig vanaf 14-11-2013.

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling

Overheidsorganisatie gemeente Stadskanaal
Officiële naam van de regeling Gemeentelijk Besluit krediethypotheek bijstand
Citeertitel Gemeentelijk Besluit krediethypotheek bijstand
Deze versie is geldig tot
(als de vervaldatum is vastgesteld)
Vastgesteld door college van burgemeester en wethouders
Onderwerp maatschappelijke zorg en welzijn

Opmerkingen m.b.t. de regeling

Deze regeling vervangt het Gemeentelijk Besluit krediethypotheek bijstand, dat in werking trad op 1 november 2005

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

1. Wet werk en bijstand, art. 48, lid 3 externe site

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum
inwerkingtreding
Terugwerkende
kracht t/m
Betreft Datum ondertekening
Bron bekendmaking
Kenmerk
voorstel
14-11-2013 artikel 3 29-10-2013
De Kanaalstreek, 13-11-2013
BW 29-10-2013, nr. 8
17-01-2007 nieuwe regeling 28-11-2006
De Kanaalstreek, 06-12-2006
BW, 28-11-2006, 20

Burgemeester en wethouders van de gemeente Stadskanaal.

Gelet op artikel 48 lid 3 van de Wet werk en bijstand:

Besluit:

Vast te stellen het

Gemeentelijk Besluit Krediethypotheek bijstand.

Artikel 1.

De belanghebbende die eigenaar is van een door hemzelf of zijn gezin bewoonde woning met bijbehorend erf, heeft recht op bijstand voor zover tegeldemaking, bewaring of verdere bezwaring, anders dan ingevolge dit artikel, van het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen in redelijkheid niet kan worden verlangd.

Artikel 2.

Indien voor de belanghebbende, bedoeld in het eerste lid, recht op algemene bijstand bestaat, heeft die bijstand de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek:

  • a. indien de bijstand over een periode van een jaar, te rekenen vanaf de eerste dag waarover bijstand wordt verleend, naar verwachting meer bedraagt dan het netto minimumloon, bedoeld in artikel 37, eerste lid Wet werk en bijstand en
  • b. voor zover het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf hoger is dan het vermogen, bedoeld in artikel 3.

Artikel 3.

Van het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf blijft het vermogen, bedoeld in artikel 34, tweede lid, onderdeel d van de Wet werk en bijstand externe site buiten beschouwing:

Artikel 4.

Indien de bijstand naar verwachting minder bedraagt dan het bedrag bedoeld in artikel 2, onderdeel a, verstrekken burgemeester en wethouders deze bijstand uitsluitend in de vorm van een geldlening, borgtocht of een uitkering om niet.

Artikel 5.

Het eerste tot en met vijfde artikel zijn niet van toepassing op de zelfstandige.

Artikel 6.

  • 1. De geldlening, bedoeld in artikel 2, is ten hoogste de waarde van de woning in het economisch verkeer bij vrije oplevering, verminderd met de daarop drukkende schulden en met het vrij te laten vermogen als bedoeld in artikel 3.
  • 2. De waarde van de woning wordt vastgesteld op de waarde conform de meest recente beschikking Waardering Onroerende Zaken, die op of voor de eerste dag waarover bijstand wordt verleend door de gemeente is afgegeven.
  • 3. De kosten verbonden aan de hypotheekakte en de inschrijving van de hypotheek, alsmede de bijkomende kosten, komen ten laste van de belanghebbende. Bijstand voor deze kosten wordt aangemerkt als bijzondere bijstand.

Artikel 7.

  • 1. Aan de geldlening worden in elk geval verbonden de voorwaarden, genoemd in de artikelen 8 en 9.
  • 2. De in het eerste lid bedoelde voorwaarden worden samen met de gebruikelijke bedingen opgenomen in de hypotheekakte.

Artikel 8.

  • 1. Aflossing van de geldlening vindt plaats gedurende ten hoogste tien jaar.
  • 2. De aflossing vangt aan op het moment van beëindiging van de bijstandverlening en vindt maandelijks plaats.
  • 3. Het maandbedrag van de aflossing wordt telkens voor een periode van één jaar vastgesteld.
  • 4. Bij een inkomen dat niet uitgaat boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm, bedoeld in hoofdstuk 3, paragraaf 3.1 tot en met 3.3, van genoemde wet, wordt geen aflossing gevergd. Tevens wordt geen aflossing gevergd indien belanghebbende een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen kunstenaars ontvangt.
  • 5. Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven, stellen burgemeester en wethouders, zo nodig tussentijds, het maandbedrag van de aflossing op een lager dan wel hoger bedrag vast.
  • 6. Bij de beoordeling van de omstandigheden als bedoeld in het vijfde lid wordt rekening gehouden met noodzakelijke, voor eigen rekening van belanghebbende komende, bijzondere bestaanskosten. Deze worden in mindering gebracht op het inkomen.
  • 7. Indien belanghebbende tijdens de aflossingsperiode van tien jaar schuldig nalatig is in het voldoen van de vastgestelde aflossing, is het nog niet afgeloste deel van de geldlening terstond opeisbaar en is daarover tevens de wettelijke rente verschuldigd.

Artikel 9.

  • 1. Indien door toepassing van artikel 8, vierde tot en met zesde lid, na afloop van de aflossingsperiode van tien jaar een deel van de geldlening nog niet is afgelost, is vanaf dat moment maandelijks rente verschuldigd over het nog niet afgeloste deel van de geldlening.
  • 2. De rente, bedoeld in het eerste lid, is de wettelijke rente, verminderd met 3 procent.
  • 3. Indien belanghebbende naar het oordeel van burgemeester en wethouders de rente geheel of gedeeltelijk kan betalen, doch niet kan aflossen, wordt een betaling eerst tot ten hoogste het bedrag van de verschuldigde maandrente aangemerkt als aflossing en wordt de rente die daardoor niet wordt betaald bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening.
  • 4. Indien belanghebbende naar het oordeel van burgemeester en wethouders geen rente kan betalen, wordt de verschuldigde rente bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening.
  • 5. Over een bijgeschreven rentevordering is geen rente verschuldigd.

Artikel 10.

  • 1. Bij verkoop of bij vererving van de woning, en indien het een echtpaar betreft bij vererving na overlijden van de langstlevende echtgenoot, wordt het nog niet afgeloste deel van de geldlening, alsmede de op grond van artikel 9, derde en vierde lid, bijgeschreven rente, terstond afgelost.
  • 2. Bij verkoop van de woning kunnen burgemeester en wethouders wegens zeer dringende redenen, na toepassing van het eerste lid, besluiten tot het verlenen van een nieuwe geldlening eveneens onder verband van hypotheek voor de aankoop van een andere woning, tot ten hoogste het bedrag van de ingevolge het eerste lid afgeloste geldlening, onder de voorwaarde dat belanghebbende het na aflossing vrijgekomen vermogen met inbegrip van het in het derde lid bedoelde bedrag volledig inzet voor de aankoop van de andere woning.
  • 3. Bij verkoop van de woning tegen een prijs overeenkomstig de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering komt, voor zover de opbrengst daartoe toereikend is, aan belanghebbende in ieder geval het bedrag toe dat op grond van artikel 34, lid 3, van de Wet werk en bijstand bij de vaststelling van de geldlening op de waarde van de woning in mindering is gebracht.
  • 4. Indien bij verkoop van de woning op basis van de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering het voor de afrekening beschikbare bedrag lager is dan het resterende bedrag van de geldlening en van de rentevordering, wordt het verschil kwijtgescholden.

Artikel 11.

  • 1. Indien in voorkomende gevallen bij de verstrekking van algemene bijstand niet wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 50 WWB en algemene bijstand wordt verleend à fonds perdu op grond van artikel 48 lid 1 WWB, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd om in het kader van (her)onderzoek de hoogte van de waarde van de woning vast te stellen zoals wordt bepaald in de Wet waardering onroerende zaken (WOZ).
  • 2. Indien de uitkomst van het (her)onderzoek hiertoe aanleiding geeft zal het college van burgemeester en wethouders overgaan tot verstrekking van algemene bijstand zoals omschreven in artikel 2 van dit besluit, tenzij een wettelijke verplichting zich tegen deze bevoegdheid verzet.

Artikel 12.

Indien binnen een periode van twee jaar na beëindiging van de bijstandverlening onder verband van hypotheek wederom recht op bijstand bestaat, wordt deze verleend met toepassing van de laatst gevestigde hypotheek.

Artikel 13.

Aan belanghebbende wordt telkens na afloop van een kalenderjaar een opgave verstrekt van de stand van de geldlening en van de rentevorderingen.

Artikel 14.

Dit besluit wordt aangehaald als: Gemeentelijk Besluit krediethypotheek bijstand.

Artikel 15.

  • 1. Dit Gemeentelijk Besluit Krediethypotheek bijstand treedt in werking op 17 januari 2007.
  • 2. Het Gemeentelijk Besluit krediethypotheek bijstand in werking getreden op 1 november 2005, wordt met ingang van 17 januari 2007 ingetrokken.

Aldus vastgesteld in de vergadering van burgemeester en wethouders van 28 november 2006

Secretaris Burgemeester

K.J. Havinga J.J. Stavast

Sla de sitenavigatie over en ga naar de hoofdinhoud »
Terug naar boven Terug naar boven